Woordenboek voor waterontharding

Ontharding: proces voor het verwijderen van de calcium- en magnesiumionen als de oorzaak van waterhardheid. Meestal wordt een harssoort gebruikt, die ionen uitwisselt. Kationen (met name Ca2+ en Mg2+) worden weggefilterd en vervangen door natriumionen. Na verzadiging wordt de hars gegenereerd met een natriumchlorideoplossing.

Aardalkali-metalen: groep van tweewaardige metalen. Daartoe behoren calcium, magnesium en sporen barium en strontium, waarvan de in het water opgeloste zouten de waterhardheid bepalen.

Anion: negatief geladen ion (bijv.: CI-, SO4--, HCO3-, OH-).

Kation: positief geladen ion (bijv.: Ca++, Na+, H+).

Kalk: calciumcarbonaat (chemische formule: CaCO3) wordt in het water en op huishoudelijke apparatuur gevormd door verwarming van het in het water opgeloste calciumbicarbonaat. Het wordt vaak gelijk gesteld met de aanslag in apparatuur, die echter ook nog magnesiumzouten bevat. Vaak voorkomende kalkvormen op aarde worden onder meer in marmer aangetroffen. Daarom is vooral de reiniging van gevoelig marmer met agressieve antikalkmiddelen en huishoudproducten een probleem.

Natriumchloride (zout): zout bestaat uit twee ionen: het natrium-kation Na+ (39% van het zoutgewicht) en het chloride-anion Cl- (61% van het zoutgewicht). Zoutkristallen kunnen andere in water oplosbare stoffen (zoals bijv. calcium, sulfaten) en niet in water oplosbare stoffen (bijv. klei) bevatten. Voor sommige toepassingen is de zuiverheid van het zout niet absoluut doorslaggevend. Voor waterontharding, nitraatverwijdering en elektrosterilisatie moet het zout echter een natriumchloride gehalte van meer dan 99,9% bezitten.

Corrosie:interactie tussen een materiaal (meestal een metaal) en zijn omgeving (bijv. water). Tijdens deze interactie wordt het materiaal, meestal door oxidatie, geheel of gedeeltelijk omgezet in stoffen, die een geringe valentie bezitten. Daardoor worden de oorspronkelijke eigenschappen van het materiaal beïnvloed (bijv. verlies aan weerstand tegen mechanische invloeden). De bekendste vorm van corrosie is roest.

Corrosiekracht (van water):vermogen van het water, door zijn chemische eigenschappen (bijv. pH, specifieke weerstand, zuurstofgehalte, chloride en sulfaten) metaal te kunnen oplossen. De corrosiekracht van water stijgt met de temperatuur.

Zoutkorst:bij de regeneratie kan er door het vocht in de zoutoplossing in combinatie met fijn zoutstof een zoutkorst worden gevormd. Deze zoutkorst verkleint de capaciteit van de ontharder. Er is in dat geval meer tijd, meer zout en meer water nodig om de onthardingshars te kunnen regenereren. AXAL® Pro zouttabletten bevatten geen zoutstof en garanderen daarmee het functioneren en de prestaties van uw ontharder.

Cyclus van een ionenwisselaar: hoeveelheid water, die een ionenwisselaar tussen twee regeneraties produceert.

Waterhardheid: de waterhardheid (“zacht”, “gemiddeld”, “hard”), hangt van het calcium- en magnesiumgehalte van het water af. Hij wordt gemeten in millimol calciumcarbonaat per liter (mmol/l). De waterhardheid varieert afhankelijk van de regio en is afhankelijk van de bodemsamenstelling, waardoor het regenwater sijpelt, wordt gefilterd en in grondwater verandert.

De hardheidsklasse van het water wordt als volgt gedefinieerd:

Hardheids-klasse

Graad Duitse hardheid (°dH)

Millimol calciumcarbonaat per liter (mmol/l)

Advies

"zacht"

<8,4 °dH

<1,5 mmol/l

Ontharden niet vereist

"gemiddeld"

8,4 - 14 °dH

1,5 - 2,5 mmol/l

Ontharden gewenst

"hard"

>14 °dH

>2,5 mmol/l

Ontharden aanbevolen

Onthard water: water, waarvan het calcium- en magnesiumgehalte door gebruik van een technisch proces werd verlaagd.

Zacht water: zacht water bezit een relatief lage concentratie kalkvormers (bijv. calcium, magnesium) en is de tegenhanger van hard water.

Ionenuitwisseling: vervangt bepaalde ionen door andere. Tijdens de waterontharding worden bijv. calcium- en magnesiumionen door natriumionen vervangen. Deze ionenuitwisseling wordt met speciaal daarvoor geschikte onthardingsharsen uitgevoerd.
Behalve bij waterontharding wordt het principe van ionenuitwisseling bijv. ook toegepast bij het uitwassen van carbonaat en de demineralisatie.

Ionenwisselaar: kolom, die de onthardingshars bevat.

Zoutstof: volgens certificeringsvoorschriften voor waterontharding, bijv. de Franse norm NF over “Waterontharders en regeneratiezouten”, zijn deeltjes, die kleiner dan 5mm zijn, “fijne” deeltjes, ook wel (zout-)stof genaamd.

Regeneratie: een regeneratie van de waterontharder is nodig, als de harsen van de ionenwisselaar verzadigd zijn. Dit is het geval, als er geen ruimte meer is voor de door het te behandelen water aangevoerde ionen (kalkvormers). De regeneratie geschiedt door het toevoegen van een geconcentreerde natriumchlorideoplossing (zoutoplossing). De in de hars opgeslagen calcium- en magnesiumionen worden in deze fase vervangen door de natriumionen van de zoutoplossing.

Onthardingshars: onoplosbare (natuurlijke of synthetische) microbolletjes die een kation A door een kation B (kationenwisselaar-hars) of een anion A door een anion B (anionenwisselaar-hars) kunnen vervangen.

Afzetting: harde (soms ook poreuze) en sterk hechtende laag, die overwegend uit calciumcarbonaat bestaat en door hard water wordt veroorzaakt.